De Admiraliteitshaven

“Het kruithuis en het schietkatoenmagazijn” door Drs. B. Benschop

De haven van Hellevoetsluis werd tussen 1604 en 1621 aangelegd om de Hollandse oorlogsvloot in wintertijd een veilig onderkomen te bieden. Er werd bovendien een scheepswerf aangelegd om de schepen te kunnen onderhouden en om ze na afloop van een zeeslag de schade te kunnen. Langs de kaden verrezen tal van magazijnen en werkplaatsen. Kortom, op den duur groeide Hellevoetsluis uit tot een belangrijke vlootbasis waar honderden arbeiders en handelaren hun brood verdienden.
De Zeventiende Eeuw was echter een roerige tijd. Nadat de Republiek na in 1648 de strijd tegen de Spanjaarden had gewonnen stond de volgende vijand al op de stoep: Engeland. Zowel Engeland als de Republiek wilden alleenheerser op zee zijn en de onderlinge rivaliteit leidde in 1652 tot de uitbraak van de Eerste Engelse Oorlog. In de daaropvolgende twintig jaar zouden nog twee Engelse Oorlogen op zee worden uitgevochten.
Dat vormde in kort bestek de aanleiding om Hellevoetsluis te versterken: de haven was simpelweg een kwetsbare plek. Een uitgekiende aanval van de Engelsen zou in n klap een groot deel van de oorlogsvloot kunnen verwoesten. Een stelsel van verdedigingswerken was dan ook onmisbaar.
In 1665 werd met de aanleg hiervan een aanvang genomen. Er lagen al plannen klaar en dankzij het uitbreken van de Tweede Engelse Oorlog werd er haast gezet achter de uitvoering. Rond de haven werden twee hoornwerken en zes bolwerken opgeworpen. Dit zijn vijfhoekige uitbouwsels vanwaar kanons vrijwel alle richting konden bestrijken. Ze waren bovendien voorzien van aarden wallen en borstweringen waarachter militairen zich tijdens een aanval konden verschansen. De aanleg van een gracht voltooide de verdediging van Hellevoetsluis, dat vanaf dat moment een vesting was. Al stond het in die tijd beter bekend als de Fortresse Hellevoetsluis.

De aanleg van de verdedigingswerken gebeurde in opdracht van de Staten van Holland en West-Friesland. Op 26 september 1665 reisden de heren Van Wimmenum en Eeuwout van der Horst als afgevaardigden van de Gecommitteerde Raden (het dagelijks bestuur van de Staten van Holland) naar Voorne af om de voortgang van het werk te inspecteren.
Ze maakten een verslag van hun dienstreis: ,,Den 26e september 1665 vertrocken uut den Hage ende des avonts gecomen inden Briell, ende des anderen daaghs, gerede naar Hellevoetsluijs ende aldaar de nieu bestede wercken naa gezien. Ze deden onder meer verslag van het tempo waarin de borstwering rond de vesting werd opgeworpen en maakten melding dat de nieuwe barakken hun voltooiing naderden.